Blog Maarten Limper

Inmiddels zes jaar geleden begon ik als jonge dokter te werken in het St. Elisabeth Hospitaal op Curaçao. Het St. Elisabeth Hospitaal is het belangrijkste openbare ziekenhuis van het eiland en biedt zorg die in grote lijnen vergelijkbaar is met die in een niet-academisch Nederlands ziekenhuis. Het ziet er alleen allemaal wat anders uit…

Mijn eerste stappen in het ziekenhuis zullen mij altijd bijblijven. De hal, ontsloten door twee hoge, zware houten deuren, met ingelegde stenen vloer en compleet met norse bewaker in uniform, laat zien dat het ziekenhuis bij opening in 1855 een mooi en indrukwekkend gebouw moet zijn geweest. Achter de hal een lange gang, rechtsaf naar de mannenafdeling, linksaf naar de vrouwenafdeling. Geen ramen, de tropische wind zorgt voor iets verkoeling in een erg warm gebouw. En dan de zaal waar ik de eerste maanden zal werken: formeel zo’n twintig patiënten, maar in de praktijk soms wel wat meer, strak naast elkaar met nauwelijks ruimte tussen de bedden. In eerste instantie vond ik het meer lijken op een filmdecor dan op een ziekenhuis. Al snel kwam ik erachter dat Curaçaose patiënten niet anders ziek zijn dan Nederlandse, dat de manier van werken – ondanks allerhande culturele verschillen en tamelijk slechte logistiek – niet verschilt van die in Nederland en teruggebracht wordt tot de essentie: het contact tussen arts en patiënt. En ik kwam erachter dat patiënten, net als overal in de wereld, plotseling onder je handen dood kunnen gaan, je achterlatend met een gevoel van machteloosheid.
Zoals deze patiënt zijn er veel, op Curaçao, in Nederland, en in de hele wereld. Ondanks de medische ontdekkingen van vooral de laatste twee eeuwen, duurt het nog altijd lang voordat je bij mensen met koorts kunt zeggen of er een bacterie of een virus de symptomen geeft, of dat er een hele andere ziekte zonder infectie is. Je zou natuurlijk alle mensen met koorts direct een cocktail van allemaal medicijnen kunnen geven tegen bacteriën, virussen en andere ziektes, maar dat blijkt in de praktijk niet goed te zijn. Niet alleen kunnen medicijnen altijd bijwerkingen geven, zeker in combinaties; ook zorg je er op die manier voor dat bacteriën en virussen op de langere termijn niet meer reageren op de medicijnen – resistentie – en kun je patiënten na een tijdje helemaal niet meer behandelen.  Tenslotte is bij de meeste patiënten met koorts behandeling misschien helemaal niet nodig, en zullen de kosten gigantisch worden als je iedereen met koorts zonder nadenken behandelt met een dergelijke cocktail.Op een dag kwam een vrouw van 46 jaar oud naar de eerste hulpafdeling. Ze had koorts, had moeite met ademen en hoestte veel. Op de foto van haar longen werden aan beide kanten afwijkingen gezien die passen bij een longontsteking. Ze werd opgenomen en voor de longontsteking behandeld met antibiotica, gericht tegen alle logische bacteriën die een dergelijk ziektebeeld kunnen geven. De volgende ochtend bleek haar hele huid vol vlekjes te zitten, werd ze steeds benauwder en stopte ze uiteindelijk met ademen. Ondanks een langdurige reanimatiepoging overleed ze. Pas dagen later kwamen de uitslagen van het microbiologisch laboratorium terug: de patiënt had geen bacteriële, maar een virale longontsteking. De gegeven antibiotica werkten goed tegen allerhande bacteriën, maar niet tegen een virus. Omdat de microbiologische tests en kweken altijd enkele dagen duren, kon de diagnose niet eerder gesteld worden.

Al lang proberen dokters onderscheid te maken tussen koorts door bacteriën en door virussen. Aan de patiënt zelf kun je het niet zien; vaak wordt door dokters in het bloed gezocht naar eiwitten die vrijkomen in reactie op de ziekte – zogenaamde ‘biomarkers’ – , om op die manier de aanwezigheid van bacteriën meer of minder waarschijnlijk te maken. Tot nu toe is er niet één biomarker gevonden waarmee je met zekerheid kunt zeggen of er sprake is van een bacteriële infectie en of de patiënt antibiotica nodig heeft.

Door het dramatische overlijden van de patiënt op Curaçao, en door vele andere patiënten die ik in de tussentijd heb behandeld, is het voor mij duidelijk geworden dat we een betere manier moeten vinden om onderscheid te kunnen maken tussen koorts door bacteriën, door virussen en door andere ziektes, omdat de behandeling heel anders is en je er mogelijk levens mee kunt redden. Ik ben onderzoek gaan doen naar biomarkers die in bloed van mensen vrijkomen bij infecties en bij koorts zonder infecties. Dé biomarker, die honderd procent betrouwbaar en snel onderscheid kan maken tussen bacteriën en virussen is nog niet gevonden. Wel heb ik, samen met talloze collega’s uit de hele wereld, bijgedragen aan onderzoek waaruit blijkt dat een bepaalde biomarker, ‘procalcitonine’, beter werkt dan alle markers die we tot nu toe gebruiken. Deze marker wordt nu meer en meer in ziekenhuizen gebruikt en helpt ons nu al om patiënten met koorts op een betere manier te behandelen. Maar het is nog niet goed genoeg; wereldwijd wordt gezocht naar betere markers en andere manieren. En ook ik ga door…

 

Leave a Comment